Geen afzonderlijk oordeel meer voor dislocaties en erkende nevenvestigingen in primair onderwijs

04 juni 2026

De onderwijsinspectie verandert per 1 augustus 2026 deels de aanpak in het toezicht op scholen in het primair onderwijs. Met de gewijzigde aanpak brengt de inspectie de praktijk van het toezicht dichter bij de wet en baseert zij haar informatievoorziening volledig op het register instellingen en opleidingen.

Voortaan krijgen een hoofdvestiging en een erkende nevenvestiging of de zelfstandig werkende dislocatie(s) van een school die onder hetzelfde BRIN-nummer vallen één (eind)oordeel en één toezichtsarrangement. Verder wordt er geen aparte schoolweging meer berekend voor zelfstandige werkende dislocaties of erkende nevenvestigingen. De inspectie maakt nog wel een uitzondering voor erkende nevenvestigingen of zelfstandig werkende dislocaties die onderwijs aan nieuwkomers of internationaal georiënteerd basisonderwijs verzorgen.

Zelfstandig werkende dislocaties zijn locaties die als een zelfstandige school handelen, met een eigen team, schoolgids, directie, maar dat wettelijk gezien niet zijn omdat zij onder het BRIN-nummer van een andere hoofdlocatie vallen. Zelfstandig werkende dislocaties werden eerder ook wel uitvoeringslocaties of inspectielocaties genoemd. De inspectie gaf vroeger de meeste van deze locaties een eigen oordeel. Dit verandert dus per 1 augustus 2026. De inspectie bekijkt voortaan de hoofdlocatie én de zelfstandig werkende dislocatie(s) samen.

Een erkende nevenvestiging ontstaat na een fusie van twee scholen. Er is dan een hoofdvestiging en een erkende nevenvestiging. In het verleden bood de inspectie maatwerk met eigen oordelen en rapporten, in het geval dat beide vestigingen toch als aparte scholen bleven functioneren. Ook dit verandert per 1 augustus 2026. De inspectie bekijkt de hoofdvestiging en de erkende nevenvestiging nu samen. Dit geldt dus ook voor de eindresultaten. Er komt dan één rapport en één oordeel voor beide vestigingen.