De trajecten om een erkenning van verworven competenties (EVC)-certificaat te krijgen, zijn fraudegevoelig. Van die gevoeligheid wordt misbruik gemaakt, waardoor mensen onterecht een EVC-certificaat krijgen. Dat heeft ernstige gevolgen. De Inspectie van het Onderwijs onderzocht de fraudegevoeligheid en de oorzaken daarvan. De inspectie constateert dat de overheid regie moet nemen op het EVC-stelsel en het toezicht daarop.
Een EVC-certificaat wordt ook wel een ervaringscertificaat genoemd. Het laat zien dat iemand kennis en ervaring heeft opgedaan binnen een bepaald vakgebied. Door middel van een EVC-procedure kan iemand eerder verworven competenties officieel laten erkennen en laten vastleggen in een EVC-certificaat.
Bij het verkrijgen van een EVC-certificaat zijn meerdere partijen betrokken: onderwijsinstellingen, sociale partners en private partijen. Zij zijn door de overheid verantwoordelijk gemaakt voor de uitvoering, de borging van kwaliteit en het toezicht. Maar in de praktijk blijkt dat er geen enkele partij verantwoordelijk is als er iets misgaat. Bij het halen van een mbo-diploma met gebruik van EVC-certificaten ziet de inspectie het volgende:
Het toezicht op EVC-certificaten is geregeld door de betrokken partijen binnen het EVC-stelsel zelf. Dit toezicht is niet in staat fraude en/of ondermijning op te merken en aan te pakken.
Het vertrouwen van het onderwijs en zorgaanbieders in het EVC-stelsel is geschaad.
Examencommissies moeten het proces om vrijstellingsbesluiten toe te kennen op basis van het EVC-certificaat verbeteren.
De uitwerking van het beleid leven lang ontwikkelen (LLO), waarvan EVC een voorbeeld is, tast de waarde van een mbo-diploma aan.
Daarom vindt de inspectie dat de overheid regie moet nemen op het EVC-stelsel en het toezicht daarop. De maatschappij moet erop kunnen vertrouwen dat het mbo gekwalificeerde vakmensen opleidt. EVC-certificaten die studenten kunnen gebruiken voor het krijgen van een mbo-diploma moeten betrouwbaar zijn.