Het kabinet wil dat vanaf schooljaar 2029/2030 alle leerlingen in groep 8 dezelfde doorstroomtoets maken. Door te kiezen voor één landelijke toets moet de vergelijkbaarheid van de resultaten verbeteren en het vertrouwen in de doorstroomtoets toenemen. Scholen houden daarbij de keuze om de toets digitaal of op papier af te nemen. Dat schrijft staatssecretaris Judith Tielen in een brief aan de Tweede Kamer.
De doorstroomtoets vormt, naast het schooladvies van de leerkracht, een belangrijk onderdeel van de overgang naar het voortgezet onderwijs. Volgens de staatssecretaris draagt één landelijke toets bij aan meer gelijke onderwijskansen, doordat verschillen tussen toetsen geen invloed meer kunnen hebben op de uitkomsten.
Zorgen over vergelijkbaarheid
Sinds de invoering van de doorstroomtoets in 2024 kunnen basisscholen kiezen uit verschillende toetsen van verschillende aanbieders. Hoewel deze toetsen zoveel mogelijk op elkaar zijn afgestemd, bestaan er al langere tijd zorgen over de onderlinge vergelijkbaarheid van de resultaten. Volgens de staatssecretaris kan volledige vergelijkbaarheid tussen verschillende toetsen niet worden gegarandeerd.
Ook de Onderwijsraad heeft eerder aangegeven dat één landelijke toets kan bijdragen aan meer gelijke kansen voor leerlingen.
Zorgvuldige invoering
De invoering van één doorstroomtoets vraagt volgens het kabinet om een zorgvuldige voorbereiding. De komende jaren worden gebruikt voor de ontwikkeling van de nieuwe toets en de overgang naar het nieuwe systeem. Daarbij gaat het ministerie in gesprek met scholen, toetsdeskundigen en andere betrokkenen. Ook wordt nadrukkelijk gekeken naar de positie van leerlingen die extra ondersteuning nodig hebben.
Mocht uit de verdere uitwerking blijken dat nieuwe ontwikkelingen daarom vragen, dan kan het kabinet het besluit nog aanpassen of de invoering uitstellen.
Verdere ontwikkeling van de doorstroomtoets
Naast de keuze voor één landelijke toets onderzoekt het kabinet verschillende mogelijkheden om de doorstroomtoets verder te ontwikkelen. Zo wordt bekeken of praktische vaardigheden een grotere rol kunnen krijgen, of bredere schooladviezen mogelijk zijn en hoe een apart toetsadvies voor het praktijkonderwijs kan worden ingericht. Ook wordt onderzocht hoe de resultaten van de doorstroomtoets minder nadrukkelijk kunnen meewegen bij het beoordelen van de kwaliteit van scholen, zodat de toets vooral ten dienste blijft staan van de ontwikkeling van de leerling.