De Tweede Kamer heeft op 3 maart 2026 een motie van Kamerlid Marjolein Moorman (GL-PvdA) aangenomen, waarin het kabinet wordt verzocht ervoor te zorgen dat het aanbieden van inclusief onderwijs niet langer nadelig uitwerkt in de beoordeling van scholen. De motie vraagt om de Inspectie van het Onderwijs opdracht te geven om bij de herziening van de onderzoekskaders expliciet aandacht te besteden aan dit risico.
De Tweede Kamer constateert dat scholen die bewust kiezen voor inclusief onderwijs vaker leerlingen opnemen met extra ondersteuningsbehoeften. Hierdoor kunnen zij binnen het huidige onderwijsresultatenmodel van de inspectie lager uitkomen op indicatoren als doorstroom, eindexamencijfers en de positie ten opzichte van het basisschooladvies. Volgens de indieners leidt dit tot onbedoelde prikkels die scholen kunnen ontmoedigen om inclusiever te werken. En dat staat haaks op de ambitie van een inclusieve onderwijssector.
Ook vindt de Kamer dat de keuze voor een andere onderwijsroute in het voortgezet onderwijs, zoals een meer praktische route, niet mag leiden tot een negatiever oordeel over scholen. Hiervoor is een motie van CDA-Kamerlid Armut Etkin aangenomen. In de huidige situatie kan een plaats van een leerling in het voortgezet onderwijs die afwijkt van het basisschooladvies hier nog wel aanleiding toe geven.
Daarnaast is een motie aangenomen van Doğukan Ergin (DENK) waarin het kabinet wordt verzocht te onderzoeken welke mogelijkheden er zijn om middelen voor onderwijshuisvesting (gedeeltelijk) te oormerken. Daarbij wordt gevraagd de juridische en financiële consequenties in kaart te brengen en te bezien hoe dit kan bijdragen aan het versneld terugdringen van de bestaande achterstanden in de onderwijshuisvesting.