Vanaf schooljaar 2026-2027 kunnen alle havo-scholen twee nieuwe praktijkgerichte examenvakken aanbieden: maatschappij en technologie. Met deze vakken wil het kabinet leerlingen meer mogelijkheden bieden om hun talenten in de praktijk te ontwikkelen en de aansluiting op het vervolgonderwijs en de arbeidsmarkt versterken.
De praktijkgerichte vakken combineren theoretische kennis met realistische opdrachten van externe opdrachtgevers, zoals bedrijven, gemeenten en maatschappelijke organisaties. Leerlingen werken bijvoorbeeld aan een duurzaamheidsvraagstuk, een ict-opdracht of een project voor een maatschappelijke organisatie. De vakken worden afgesloten met een schoolexamen.
Positieve ervaringen uit de pilot
De nieuwe vakken zijn de afgelopen jaren beproefd in een landelijke pilot waaraan inmiddels ruim 300 havo-scholen deelnemen. De evaluaties daarvan zijn positief. Daarom kunnen vanaf komend schooljaar alle havo-scholen ervoor kiezen een of beide vakken in de bovenbouw aan te bieden.
Scholen bepalen zelf of zij de vakken opnemen in hun curriculum en hoe zij deze vormgeven. Daarbij kunnen zij aansluiten bij hun eigen onderwijsvisie en de kenmerken van de regio. Binnen het vak technologie kunnen bijvoorbeeld accenten worden gelegd op ict of ondernemerschap, terwijl het vak maatschappij ruimte biedt voor thema's als gezondheidszorg of onderwijs.
Extra bekostiging vanaf 2027
Om de invoering van de praktijkgerichte vakken te ondersteunen, ontvangen scholen vanaf 2027 aanvullende bekostiging. Het kabinet stelt hiervoor jaarlijks € 16 miljoen beschikbaar. De extra middelen zijn bedoeld voor de aanvullende kosten die samenhangen met praktijkgericht onderwijs, zoals het opbouwen van samenwerkingen met externe opdrachtgevers, de aanschaf van materialen en de organisatie van begeleiding.
Relevantie voor intern toezicht
Voor raden van toezicht raakt de invoering van praktijkgerichte vakken aan de strategische ontwikkeling van het onderwijsaanbod. Daarbij is het van belang toe te zien op de aansluiting van het curriculum bij de onderwijsvisie van de school, de regionale behoeften en de beschikbare capaciteit. Ook vraagt de samenwerking met externe partners om aandacht voor de wijze waarop deze past binnen de maatschappelijke opdracht en de kwaliteitsambities van de organisatie.