Onderwijs blikt kritisch terug op schoolsluitingen tijdens coronapandemie

02 juli 2026

De parlementaire enquêtecommissie corona stond in de week van 15 tot en met 19 juni volledig in het teken van het onderwijs en de gevolgen van de gedwongen schoolsluitingen tijdens de coronapandemie. Uit de verhoren kwam een breed gedeeld beeld naar voren: de maatschappelijke en psychische impact op kinderen en jongeren is groot geweest en de belangen van leerlingen kregen tijdens de crisis onvoldoende gewicht in de besluitvorming.

Tijdens de coronapandemie besloot het kabinet drie keer om Nederlandse scholen en onderwijsinstellingen te sluiten om de verspreiding van het virus tegen te gaan: van 16 maart 2020 - 11 mei 2020 (basisonderwijs) en tot 2 juni 2020 voor het voortgezet onderwijs. De tweede was van 16 december 2020 - 8 februari 2021 (primair onderwijs en kinderopvang) en tot 31 mei 2021 voor het voortgezet onderwijs. Voor het middelbaar beroepsonderwijs, hoger beroepsonderwijs en de universiteiten golden eveneens langdurige sluitingen en periodes waarin het onderwijs grotendeels online plaatsvond, met een geleidelijke terugkeer naar fysiek onderwijs in de loop van 2021.

Die sluitingen leidden tot maandenlange onderbrekingen van het onderwijs, met leerachterstanden, toenemende kansenongelijkheid en een sterke toename van mentale problemen onder kinderen en jongeren als gevolg.

Voormalig minister voor basis- en voortgezet onderwijs Arie Slob (ChristenUnie) vertelde tijdens zijn verhoor voor de commissie dat iedere schoolsluiting voor hem voelde als ‘een nederlaag’. Als minister was hij regelmatig aanwezig bij de Catshuisoverleggen waar de belangrijkste coronamaatregelen werden besproken. Zijn inzet was steeds gericht op het zo lang mogelijk openhouden van de scholen.

Dat hij nog altijd worstelt met de keuzes uit die periode bleek al eerder uit een interview in dagblad Trouw, waarin hij aangaf zich regelmatig af te vragen of hij destijds de juiste beslissingen heeft genomen. Tijdens de parlementaire enquête kreeg Slob steun van voormalig VO-raad-voorzitter Paul Rosenmöller, die stelde dat de oud-minister ‘de blaren op zijn tong heeft gepraat’ om het onderwijs open te houden. Volgens Rosenmöller werden de uiteindelijke besluiten echter vooral bepaald vanuit het ministerie van Volksgezondheid.

Slob benadrukte wel dat het kabinet lang niet altijd de dringende adviezen van het Outbreak Management Team (OMT) volgde als het ging om de scholen. ‘Er is weleens het beeld ontstaan dat het kabinet blindelings achter het OMT aanliep’, zei hij tijdens zijn verhoor. ‘Dat was met scholen niet het geval.’

Als voorbeeld noemde hij de eerste schoolsluiting in maart 2020. Volgens het OMT konden de scholen destijds openblijven, maar nadat de Federatie Medisch Specialisten had geadviseerd de scholen alsnog te sluiten, koos het kabinet daarvoor. Volgens Slob was dat noodzakelijk om verdere maatschappelijke onrust en chaos te voorkomen. Rosenmöller noemde die beslissing later een ‘kantelpunt’, omdat daarmee ook de stemming binnen de onderwijssector omsloeg.

Volgens Slob zijn er zeker vijf momenten geweest waarop het kabinet een andere afweging maakte dan het OMT had geadviseerd. Hij benadrukte daarbij dat het OMT begrijpelijkerwijs vooral keek naar virologische en medische aspecten van de crisis. ‘Het was een gezondheidscrisis, en die was zeer ernstig’, aldus de oud-minister.

Toch kwamen tijdens de verhoren vooral de gevolgen voor kinderen en jongeren nadrukkelijk aan bod. Kinderarts Károly Illy stelde dat kinderen misschien niet ernstig ziek werden van het coronavirus zelf, maar wel van de gevolgen van het gevoerde beleid. Op zijn aandringen kreeg hij uiteindelijk zitting in het OMT, dat volgens hem aanvankelijk sterk werd gedomineerd door virologen en microbiologen.

Illy schetste een zorgwekkend beeld van de effecten van langdurige schoolsluitingen en sociale isolatie. Door het wegvallen van dagelijks contact met leeftijdsgenoten kwamen de emotionele en sociale ontwikkeling van veel kinderen onder druk te staan. Daarnaast zag hij in zijn ziekenhuis een duidelijke toename van psychische problematiek. ‘We zagen beduidend meer meisjes met eetstoornissen’, vertelde hij. Ook het aantal kinderen met suïcidale gedachten en pogingen tot zelfdoding nam volgens hem toe.

Daarnaast wees Illy op een ander zorgelijk gevolg van de schoolsluitingen: een groter risico op kindermishandeling. Wanneer kinderen langdurig thuis zijn en het contact met school wegvalt, neemt volgens hem de kans toe dat signalen van onveilige thuissituaties onopgemerkt blijven.

Ook Kinderombudsman Margrite Kalverboer uitte stevige kritiek op de manier waarop de belangen van kinderen werden meegewogen. Volgens haar stonden kinderen tijdens de pandemie simpelweg ‘niet bovenaan het prioriteitenlijstje’. Tijdens haar verhoor formuleerde zij het nog scherper: ‘Het kabinet was sowieso de kinderen vergeten.’

Een vergelijkbaar beeld schetste voormalig LAKS-voorzitter Aminata Luijckx. Zij zat vanaf het begin van de pandemie regelmatig aan tafel met minister Slob en kijkt positief terug op die samenwerking. Volgens haar luisterde de minister naar de zorgen van scholieren, zette hij zich in om scholen zoveel mogelijk open te houden en was hij altijd bereikbaar.

Tegelijkertijd zag Luijckx dat de belangen van leerlingen uiteindelijk ondergeschikt bleven aan het medische perspectief. ‘Het Outbreak Management Team en de medische adviezen waren leidend’, concludeerde zij. Namens ongeveer één miljoen scholieren sprak zij zich destijds uit tegen de tweede schoolsluiting, die duurde van december 2020 tot het voorjaar van 2021. Volgens haar was die langdurige sluiting ‘niet verdedigbaar’.

Ook de periode daarna, waarin scholen slechts gedeeltelijk open waren en werkten met mondkapjes, cohortvorming en de anderhalvemeterregel, bracht volgens Luijckx grote uitdagingen met zich mee. Veel maatregelen waren in de dagelijkse schoolpraktijk moeilijk uitvoerbaar en vergrootten de gevoelens van onzekerheid onder jongeren. ‘Er was sprake van grote uitzichtloosheid en diepe eenzaamheid’, aldus de voormalig LAKS-voorzitter.

De lessen uit de coronaperiode klinken ook door in de oproep die verschillende onderwijsorganisaties tijdens de enquête deden. Zes jaar na het begin van de pandemie stellen de organisaties dat scholen tijdens een toekomstige crisis niet opnieuw gesloten zouden moeten worden.

Volgens hen zijn de gevolgen van de schoolsluitingen nog altijd merkbaar in het onderwijs. Leerachterstanden, mentale problemen en toenemende kansenongelijkheid werken nog steeds door in de klas. De centrale boodschap uit de parlementaire enquête lijkt daarmee helder: toekomstige crisisbesluiten vragen om een bredere afweging, waarin ook de ontwikkeling en het welzijn van kinderen en jongeren volwaardig worden meegewogen.