De Onderwijsraad adviseert om de aanpak van haatzaaien, discriminatie en gewelddadig optreden in het informeel onderwijs onder te brengen in de strafrechtketen, en niet in de onderwijswetgeving. Volgens de raad is dat passender en effectiever, omdat zowel de wettelijke kaders als de instanties in het strafrecht hiervoor zijn ingericht en toegerust.
Het advies is uitgebracht naar aanleiding van het Wetsvoorstel toezicht op informeel onderwijs, waarin staat dat de Inspectie van het Onderwijs toezicht zou gaan houden op activiteiten buiten het formele, leerplichtige onderwijs aan kinderen van vier tot en met zeventien jaar. De Onderwijsraad vindt dat deze vorm van toezicht niet past bij de verantwoordelijkheid van de minister van Onderwijs en de rol van de Inspectie van het Onderwijs, omdat opsporing van strafbare feiten geen onderwijstaak is.
Volgens de raad is het bovendien niet effectief om dit soort toezicht via onderwijswetgeving te regelen. De strafrechtketen, met het Openbaar Ministerie en de strafrechter, biedt een beter kader voor opsporing en handhaving. Instanties binnen het domein van jeugdbescherming en strafrecht zijn beter toegerust om signalen te onderzoeken en in te grijpen bij misstanden — zeker wanneer activiteiten plaatsvinden in besloten kring.
Daarnaast waarschuwt de Onderwijsraad dat het wetsvoorstel in de huidige vorm te ver gaat. Het omvat vrijwel alle buitenschoolse activiteiten die gericht zijn op kennis- of waardenoverdracht aan kinderen, en maakt daarmee inbreuk op grondrechten zoals de vrijheid van meningsuiting, vereniging en godsdienst. Zo’n inbreuk vereist volgens de raad een strikte toets op noodzakelijkheid, proportionaliteit en subsidiariteit, waaraan het voorstel niet voldoet.
De Onderwijsraad is de wettelijke adviseur van de regering en het parlement op het gebied van onderwijswetgeving. In die rol toetst de raad wetsvoorstellen op uitvoerbaarheid, consistentie en fundamentele beginselen voordat ze naar de Raad van State en de Tweede Kamer gaan.