Kinderen in noodopvang hebben recht op onderwijs en een ononderbroken ontwikkeling. Toch missen zij veel onderwijstijd, vooral door voortdurende verhuizingen. Hoewel veel partijen zich inzetten voor de toegang tot onderwijs is de verantwoordelijkheid versnipperd en heeft niemand doorzettingsmacht. Niemand weet hoeveel onderwijstijd verloren gaat door verhuizingen. Hierdoor ontstaat ook weglekkende onderwijsbekostiging.
Dit meldt de onderwijsinspectie, die in 2023 ook al haar zorgen uitte bij de betrokken bewindspersonen. Sindsdien is er weinig verbeterd. Dit komt naar voren uit bezoeken die de inspectie eind 2025 aan scholen en opvanglocaties bracht en gesprekken die zij met ketenpartners voerde.
Op basis van de huidige cijfers is onduidelijk hoeveel leerlingen niet naar school gaan, hoeveel leerlingen moeten wachten en hoeveel onderwijstijd verloren gaat door wachtlijsten en verhuizingen. Kinderen zouden binnen drie maanden onderwijs moeten krijgen, maar deze regel lijkt bij elke verhuizing opnieuw gehanteerd te worden. Met ingang van 12 juni 2026 treedt het Europese asiel- en migratiepact in werking en wordt deze termijn verkort naar twee maanden.
Ondanks de dalende instroom zitten er meer kinderen in de noodopvang en duurt hun verblijf daar langer. Door de vele verhuizingen missen ze onderwijstijd en kunnen ze geen stabiel leernetwerk opbouwen. Dit leidt tot toenemend verzuim en probleemgedrag. De vaak onverwachte verhuizingen belasten ook onderwijsprofessionals, en veiligheidsrisico’s nemen toe.
Verder lekt er nu onderwijsgeld weg. Scholen ontvangen voor nieuwkomers gedurende twee jaar extra geld. Tussentijds verloren onderwijstijd wordt niet gecompenseerd. Terwijl leerlingen dus kostbare onderwijstijd verliezen lopen scholen de extra gelden mis.
Ook zijn er nog steeds veel partijen betrokken bij het onderwijs en de ontwikkeling van kinderen in noodopvang. Maar ieder is slechts verantwoordelijk voor een deel van de oplossing. En er zijn grote onderlinge verschillen tussen gemeenten en regio’s. Besturen, gemeenten en ketenpartners tonen zich over het algemeen betrokken, maar iedereen is slechts betrokken bij een deel van het dossier. Uiteindelijk beschikt niemand over echte doorzettingsmacht.
De inspectie adviseert ketenpartners om niet-noodzakelijke verhuizingen terug te dringen, te werken aan een stabiel opvangsysteem, duidelijke afspraken te maken over verantwoordelijkheden en in te zetten op passende regionale overlegstructuren. Ook adviseert ze ervoor te zorgen dat er door gegevensverzameling zicht op de leerling komt, dat er regie en samenwerking komt en dat bij verhuizingen onderwijs prioriteit krijgt.