Het ministerie van OCW werkt aan een wetsvoorstel ‘Eisen aan bestuur en intern toezicht’. Met dit voorstel wil het ministerie de kwaliteit van bestuur en intern toezicht in het funderend onderwijs verbeteren en waarborgen met eisen op drie terreinen: geschiktheid, rolinvulling en integriteit & onafhankelijkheid van bestuurders en toezichthouders. De PO-Raad, VO-raad, VTOI-NVTK, VvOB en ONSwv hebben gezamenlijk een brief gestuurd aan staatssecretaris Koen Becking om hun zorgen en bezwaren tegen het wetsvoorstel te delen.
Volgens de organisaties is de noodzaak van nieuwe wetgeving niet aangetoond, overlappen de voorstellen met bestaande toezichtsinstrumenten, en doorkruisen ze de stevige stappen die de sector zelf al heeft gezet op het gebied van professionalisering en goed bestuur en toezicht. Zo is er gewerkt aan een beroepsprofiel voor bestuurders, een accreditatiestelsel en een geactualiseerde Governancecode Funderend Onderwijs, waarin afspraken zijn gemaakt over professionalisering, integriteit en goed bestuur en toezicht. Daarnaast hebben de PO-Raad, VO-raad en VTOI-NVTK lidmaatschapsvoorwaarden opgesteld, waarin professionalisering, integriteit en verantwoording centrale uitgangspunten zijn.
Besturen en raden van toezicht leggen bovendien jaarlijks in hun jaarverslagen verantwoording af over de naleving van de governancecode, waarop accountants en sectorraden en VTOI-NVTK actief toezien. Daarmee laat de sector zien de verantwoordelijkheid voor goed bestuur en toezicht zelf te nemen en te borgen.
Principiële en inhoudelijke bezwaren
Het wetsvoorstel lijkt te zijn ingegeven door de veronderstelling dat er een directe relatie bestaat tussen bestuurlijke of toezichthoudende kwaliteit en onderwijsprestaties. Wetenschappelijk bewijs voor dat causale verband ontbreekt echter. Onderwijskwaliteit verbeteren vraagt om samenwerking tussen alle actoren in en om het onderwijs – niet om afzonderlijke wettelijke eisen aan bestuurders en toezichthouders.
Naast deze inhoudelijke kanttekeningen hebben de organisaties ook principiële bezwaren.
Het voorstel raakt aan de inrichting van het onderwijsbestel zonder dat duidelijk is welk probleem daarmee wordt opgelost. Er is bovendien grote overlap met bestaande toezichtskaders van de Inspectie van het Onderwijs. Daarbij dreigt de rolverdeling tussen intern en extern toezicht diffuser te worden. Dat is onwenselijk.
Ook doorkruist het wetsvoorstel de werkgeversrol van raden van toezicht. Het is aan de werkgever – in dit geval de raad van toezicht – om te bepalen hoe de arbeidsrelatie met de bestuurder wordt vormgegeven, binnen de geldende wettelijke kaders en de sectorale bestuurders-cao. Die cao wordt sinds 2011, op instigatie van de minister, gezamenlijk beheerd door VTOI-NVTK en VvOB, en waarborgt een zorgvuldige en professionele verhouding tussen bestuur (werknemer) en intern toezicht (werkgever). Het wetsvoorstel zou deze balans onnodig verstoren.
Gesprekken met leden
VTOI-NVTK heeft de hoofdlijnen uit het wetsvoorstel besproken met leden tijdens de algemene ledenvergadering eerder dit jaar en tijdens recente regiobijeenkomsten. Daaruit blijkt een breed gedeelde zorg: toezichthouders onderschrijven het belang van kwaliteit en professionaliteit, maar maken zich zorgen over verdere juridisering en bureaucratisering. Zij benadrukken dat goed toezicht juist gebaat is bij vertrouwen, duidelijke rollen en ruimte voor eigen afwegingen.
Samen verder bouwen
De PO-Raad, VO-raad, VTOI-NVTK, VvOB en ONSwv blijven graag in gesprek met het ministerie van OCW om professionalisering en zelfregulering verder te versterken. De sector pakt zijn verantwoordelijkheid en bouwt voort op bestaande instrumenten die goed werken.
Wij doen daarom een dringend beroep op de staatssecretaris om af te zien van nieuwe wetgeving die deze ontwikkeling doorkruist, en in plaats daarvan samen met de sector te blijven werken aan verdere professionalisering van bestuur en toezicht.